Schatting van het populatiegemiddelde
Rondom het steekproefgemiddelde kunnen we een betrouwbaarheidsinterval berekenen. We kunnen er dan zeker van zijn, dat de werkelijke waarde van het populatiegemiddelde (voor bijvoorbeeld een 95% betrouwbaarheidsinterval) binnen 95 van de 100 op deze manier berekende intervallen ligt.
Voor niet te kleine steekproeven is het steekproefgemiddelde volgens de centrale limietstelling normaal verdeeld met verwachting E(
) = μ en standaardfout:

Toepassing van de algemene formule voor de berekening van het betrouwbaarheidsinterval geeft dus:

Voor het 95% betrouwbaarheidsinterval is in deze formule α = 0.05 en z0.025 = - z0.975 = 1.96.
Voorbeeld. Een wielrenner heeft bij de start van een klassieker een bloedbezinking van 52%. De standaardfout van de bepaling is bekend en bedraagt 1%. Het 95% betrouwbaarheidsinterval van deze uitkomst is
- 1.96 σ/
1 < μ <
+ 1.96 σ/
1 dit is 50.04 < μ < 53.96. De keuringsarts vindt dit interval te groot en laat de bepaling een tweede keer doen. De uitkomst is weer 52%, het betrouwbaarheidsinterval wordt nu
- 1.96 σ/
2 < μ <
+ 1.96 σ/
2 dit is 50.6 < μ < 53.4.
Door de herhaling wordt de standaardfout van de puntschatting en dus ook het betrouwbaarheidsinterval kleiner. De betrouwbaarheid van de uitspraak, nl. dat de wielrenner boven de kritische grens van 50% zit, wordt groter.