Puntschatters en intervalschatters

Schatten en toetsen

Eigenschappen van puntschatters

Betrouwbaarheidsinterval

Berekening van het betrouwbaarheidsinterval

Overzicht van de schatters

Puntschatters zoals het steekproefgemiddelde, , of de steekproefproportie, p, schatten de waarde van een populatieparameter, hier het populatiegemiddelde, m, respectievelijk de populatieproportie p. Puntschattingen worden berekend uit de steekproefuitkomsten en hun waarde wordt dus ten dele door het toeval bepaald. Puntschatters zijn voorbeelden van steekproefgrootheden. Het zijn kansvariabelen, met een kansverdeling. De standaardafwijking van een steekproefgrootheid wordt standaardfout genoemd.

Voorbeeld. In een verkiezingsonderzoek vinden we in een steekproef van 2000 respondenten een proportie p = 0.3 (30%) VVD-stemmers. De uitkomst p = 0.3 in dit voorbeeld is een puntschatting van de onbekende populatieproportie van VVD-stemmers in de Nederlandse bevolking.

Naast puntschatters zijn er intervalschatters met als belangrijkste vertegenwoordiger het betrouwbaarheidsinterval. Een puntschatting is zelden of nooit precies gelijk aan de populatieparameter, die hij schat. Rondom de puntschatting kan een interval van waarden worden aangegeven, waarvan we met een zeker vertrouwen kunnen zeggen, dat de werkelijke waarde van de populatieparameter daarin ligt. Dit interval wordt het betrouwbaarheidsinterval genoemd. De berekening van het betrouwbaarheidsinterval gaat uit van de waarde van de puntschatter en die van zijn standaardfout. Het betrouwbaarheidsinterval is dus zelf een schatter, we spreken van een intervalschatter.

Voorbeeld. Het betrouwbaarheidsinterval rondom de puntschatting p = 0.3 (30%) VVD-stemmers in de steekproef van 2000 respondenten ligt ongeveer tussen 0.28 en 0.32. In een veel kleinere steekproef van 200 respondenten met dezelfde uitkomst p = 0.3 zou het betrouwbaarheidsinterval 0.24 tot 0.36 zijn geweest. Hoe kleiner de steekproef, des te groter het betrouwbaarheidsinterval.