Toetsingsprocedure in 7 stappen
Vóór de aanvang van het onderzoek wordt na de nulhypothese ook een alternatieve hypothese geformuleerd, die als zodanig niet wordt getoetst. De alternatieve hypothese (H1) heeft de vorm van een ontkenning van de nulhypothese. Als de nulhypothese is dat H0: populatieparameter = waarde, dan is de meest algemene ontkenning:
H1: populatieparameter
waarde
Op deze manier geformuleerd kan de waarde van de populatieparameter zowel groter als kleiner zijn dan de waarde onder de nulhypothese. Een meer specifieke alternatieve hypothese is bijvoorbeeld:
H1: populatieparameter > waarde
Bij verwerpen van de nulhypothese kan de populatieparameter nu alleen nog maar groter zijn dan de waarde onder de nulhypothese.
Hoe we de alternatieve hypothese bij het toetsen formuleren hangt af van de onderzoeksvraag. De vorm van de alternatieve hypothese bepaalt tevens of we eenzijdig of tweezijdig toetsen.
Voorbeeld. 8 Asthma-patiënten worden behandeld met een nieuwe vorm van fysiotherapie. De onderzoeksvraag is of de toestand van de patiënten door de therapie verbetert. De nulhypothese is, dat de therapie onwerkzaam is, dus H0: p = 0.5. De alternatieve hypothese is, dat de meerderheid van de patiënten verbetert, dus dat de proportie verbeterde patiënten in de populatie groter is dan 0.5 (50%). In formule is dat:
H1: p > 0.5
De alternatieve hypothese is in deze gevallen een samengestelde hypothese. Hij stelt niet dat een specifieke waarde juist is, maar dat een interval van waarden juist is, zoals in het voorbeeld, dat de populatieproportie, p, groter is dan de nulhypothese-waarde, p0 = 0.5.