Eenzijdig of tweezijdig toetsen

Toetsingsprocedure in 7 stappen

Eenzijdig toetsen

Tweezijdig toetsen

De formulering van de alternatieve hypothese bepaalt of we eenzijdig of tweezijdig toetsen. Als de formulering is, dat

H1: populatieparameter waarde van de nulhypothese,

dan wordt tweezijdig getoetst (beter: getoetst met tweezijdig alternatief). Als de formulering daarentegen is, dat

H1: populatieparameter > waarde van de nulhypothese,

dan wordt eenzijdig getoetst (beter: getoetst met eenzijdig alternatief). Het alternatief is hier rechtseenzijdig in tegenstelling tot het linkseenzijdig alternatief, als de formulering van de alternatieve hypothese is:

H1: populatieparameter < waarde van de nulhypothese.

Hoe we de alternatieve hypothese bij het toetsen formuleren en of we dus eenzijdig of tweezijdig toetsen hangt af van de onderzoeksvraag. De meeste vraagstellingen leiden tot een tweezijdige toetsing. Als niet bij voorbaat vaststaat of de populatieparameter bij het verwerpen van de nulhypothese een grotere of een kleinere waarde heeft wordt altijd tweezijdig getoetst.

Voorbeeld. Twee geneesmiddelen worden in een clinical trial vergeleken om te bepalen welk van beide de beste resultaten geeft. De statistische toets moet dan tweezijdig zijn.

Als getoetst wordt of aan een of andere norm wordt voldaan of als een beslissing moet worden genomen, wordt meestal eenzijdig getoetst.

Voorbeeld. Chemische analyses om vast te stellen of op een fabrieksterrein de maximale verontreiniging met kankerverwekkende PAK's niet wordt overschreden moeten eenzijdig worden getoetst. De nulhypothese is dan: "het PAK-gehalte is gelijk aan wat de norm voorschrijft" en de alternatieve hypothese is: "het PAK-gehalte overschrijdt de norm".