Toetsingsprocedure in 7 stappen
Het siginificantieniveau, meestal met a aangeduid, vervult in beide toetsingsprocedures een sleutelrol.
Bij het toetsen met de overschrijdingskans is a de grenswaarde van de overschrijdingskans, waarbeneden de nulhypothese wordt verworpen. De nulhypothese wordt dus verworpen als de overschrijdingskans (p-waarde) p = P(T
t)
a of p = P(T
t)
a, afhankelijk van hoe de alternatieve hypothese is gedefinieerd.
Bij het toetsen met de kritieke waarde bepaalt het significantieniveau de kritieke waarde van de toetsingsgrootheid. De nulhypothese wordt verworpen als de waarde van de toetsingsgrootheid t
of als t
, afhankelijk van hoe de alternatieve hypothese is gedefinieerd.
De keuze van het significantieniveau, a, wordt bepaald door het risico dat de onderzoeker wil lopen om de nulhypothese ten onrechte te verwerpen. Dit risico wordt het type I risico genoemd. Het significantieniveau behoort voorafgaande aan de uitvoering van het onderzoek te worden vastgesteld en niet pas als de resultaten van het steekproefonderzoek bekend zijn.
Een significantieniveau van a = 0.05 is gebruikelijk, maar dat is niet meer dan een conventie op historische gronden. Het houdt in, dat gemiddeld genomen één op de twintig keer de nulhypothese ten onrechte wordt verworpen. Er kunnen echter goede redenen zijn om een hoger of lager significantieniveau te kiezen.