Toetsen met de kritieke waarde

Toetsingsprocedures

Toetsen met de kritieke waarde is een alternatief voor toetsen met de overschrijdingskans met precies hetzelfde resultaat. We berekenen vooraf een kritieke waarde, of , waarvoor geldt, dat

De eerste voorwaarde wordt toegepast, als onder de alternatieve hypothese de waarde van de populatieparameter groter is dan die onder de nulhypothese. De tweede voorwaarde geldt als het omgekeerde het geval is.

De nulhypothese wordt nu verworpen als de toetsingsgrootheid berekend uit de steekproefuitkomsten, t, groter dan of gelijk is aan of, als de tweede voorwaarde geldt, t .

Als de toetsingsgrootheid gelijk is aan de kritieke waarde is de p-waarde kleiner of gelijk aan het significantieniveau.

Voorbeeld. 8 Asthma-patiënten worden behandeld met een nieuwe vorm van fysiotherapie. De uitkomsten kunnen zijn 'verbeterd' of 'verslechterd'. De onderzoeksvraag is of de therapie de toestand van de patiënten verbetert. Aan het eind van het onderzoek blijken 7 van de 8 patiënten te zijn verbeterd. De nulhypothese die getoetst wordt is H0: p = 0.5. De alternatieve hypothese is H1: p > 0.5. Onder de nulhypothese heeft het aantal verbeterde patiënten de binomiale verdeling met p = 0.5 en n = 8. Bij een significantieniveau a = 0.05 is de kritieke waarde = 7, omdat P(T 7) a:

P(T 7) = P(T = 7) + P(T = 8) = 0.57(1 - 0.5)1 + 0.58 = 0.035,

terwijl op overeenkomstige manier berekend P(T 6) = 0.14 > a. De nulhypothese wordt dus verworpen, omdat de uitkomst t = 7 (groter of) gelijk is aan de kritieke waarde = 7.

Alle waarden van de toetsingsgrootheid, die groter zijn dan, of gelijk zijn aan de (rechter) kritieke waarde, , vormen het (rechter) kritieke gebied en leiden tot verwerping van de nulhypothese. Alle waarden van de toetsingsgrootheid, die kleiner zijn dan, of gelijk zijn aan de (linker) kritieke waarde, , vormen het (linker) kritieke gebied en leiden eveneens tot verwerping van de nulhypothese.