Karl Popper
Inductieve kennis ontstaat door regelmatigheden of patronen te ontdekken in de werkelijkheid. Een voorbeeld is: "Alle onderzochte koperen voorwerpen geleiden elektriciteit, dus koper geleidt elektriciteit." Inductieve kennis is onzeker, omdat er altijd een koperen voorwerp gevonden kan worden, dat de electriciteit niet geleidt. Inductief redeneren leidt slechts tot theorieën die door empirisch onderzoek aan de tand gevoeld moeten worden.
Deductieve kennis bestaat uit logisch correcte gevolgtrekkingen uit algemene principes. Het systeem van de Euclidische meetkunde met axioma's en stellingen, waaruit weer nieuwe stellingen worden afgeleid is een voorbeeld. Deductieve kennis is zeker, maar heeft een beperkte strekking. Het wereldbeeld van Newton, waarin de natuurverschijnselen kunnen worden afgeleid uit algemene mathematische beginselen, wordt door niemand meer serieus genomen.
De filosofie van Popper en het daarmee samenhangende hypothetisch-deductieve model van de wetenschappelijke kennisverwerving verenigt beide kennisvormen. Theorieën ontstaan veelal langs inductieve weg, terwijl door deductie uit de theorie een onderzoekbare werkhypothese wordt afgeleid. Onderzoek leidt weliswaar niet tot zekere kennis, maar wel tot verdieping van de theorie en steeds toenemende kennis.