Toetsen van de werkhypothese

Hypothetisch-deductieve model

Nadat de waarnemingen zijn gedaan, worden de verzamelde gegevens bewerkt en (statistisch) geanalyseerd. Doel is het toetsen van de juistheid van de onderzoekshypothese. Als de hypothese wordt verworpen, moet worden nagegaan of dat gevolgen heeft voor de theorie, waaruit de hypothese is afgeleid.

De toetsing bestaat uit een vergelijking van de uitkomsten van de waarnemingen met de voorspelde uitkomsten. Bij het maken van die vergelijking moet wel rekening worden gehouden met de onzekerheden die ontstaan door een beperkte validiteit en betrouwbaarheid van de metingen. De statistiek geeft daarvoor de methoden.(zie Schatten en toetsen)

Voorbeeld. De Partij van de Arbeid heeft 45 van de 150 zetels in de Tweede Kamer. Stel dat je 150 willekeurige Nederlanders van 18 jaar of ouder vraagt op welke partij zij zouden stemmen als er nu verkiezingen waren. Zal de PvdA tien zetels verliezen, als slechts 35 van hen aangeven dat zij PvdA gaan stemmen? Dat is allerminst zeker, want de steekproef en het gevonden verschil zijn beide veel te klein voor zo'n conclusie.

Zou je in een steekproef van 150 000 mensen 35 000 PvdA-stemmen aantreffen, dan gaat het er toch werkelijk naar uitzien dat de PvdA aan het verliezen is. Het voorspelde verschil is even groot (tien zetels), maar de steekproef en dus de zekerheid over het meetresultaat is veel groter.

Maar wat dan als je in een steekproef van 150 Nederlanders 90 PvdA-stemmers vindt? Wijst dat wel op een verschuiving? Waarschijnlijk wel. De steekproef is klein, dus je kunt toevallig op een heel vertekend resultaat zijn gestuit. Maar het gaat hier om een verdubbeling van het aantal PvdA-stemmers en dat is wel erg veel, zelfs voor zo'n kleine steekproef.

Bij statistisch toetsen wordt de conclusie altijd bepaald door de grootte van het effect te vergelijken met de betrouwbaarheid van de waarnemingen.