Kansregels
Voor twee gebeurtenissen, die elkaars complement zijn, A en
, geldt dat
P(
) = 1 - P(A)
Deze regel kan uit de somregel worden afgeleid. Immers een gebeurtenis
is het complement van een gebeurtenis A als A
= Ω. Volgens de somregel is P(A) + P(
) = P(A
) = P(Ω) = 1. Dus is P(
) = 1 - P(A).
De kans op een willekeurige uitkomst uit de uitkomstenruimte, Ω, is P(Ω) = 1, omdat dat een zekere gebeurtenis is.
Voorbeeld. De kans op de geboorte van een jongen is 1 minus de kans op de geboorte van een meisje: P(X = jongen) = 1 - P(X = meisje) = 1 - 0.49 = 0.51.