Steekproefvariabiliteit

Steekproefomvang

De samenstelling van een steekproef wordt ten dele door het toeval bepaald. Achtereenvolgende steekproeven hebben steeds een iets andere samenstelling. Dit verschijnsel wordt steekproefvariabiliteit genoemd. De steekproefvariabiliteit is relatief kleiner naarmate de steekproef groter is. Een simulatie-experiment demonstreert dit.

Voorbeeld. De verhouding waarin de bloedgroepen A, B, AB en O in de Nederlandse bevolking vóórkomen is 44:14:6:36. Als we die verhouding niet kennen, kunnen we een schatting maken op basis van een steekproef. Hoogstwaarschijnlijk zal die niet precies de verhouding 44:14:6:36 opleveren. Herhalen we de trekking, dan zal iedere volgende steekproef een iets andere verhouding te zien geven. Vinden we in een steekproef van 100 personen de verhouding 41:13:8:38, dan zullen we dat resultaat betrouwbaarder vinden, dan de verhouding 5:1:1:3 in een steekproef van 10.

Steekproefvariabiliteit is een van de belangrijkste spreidingsbronnen en bepaalt daardoor in belangrijke mate de betrouwbaarheid van de resultaten van een onderzoek. Steekproefgrootheden, zoals de steekproefproportie of het steekproefgemiddelde hebben een geringere spreiding (uitgedrukt in de standaardfout) naarmate de steekproefomvang groter is.

De steekproefvariabiliteit wordt, behalve door de steekproefomvang, ook door de spreiding in de populatie bepaald. Steekproefvariabiliteit heeft niets te maken met gebrekkige validiteit of met selectie, ze ontstaat doordat iedere nieuwe steekproef weer andere elementen uit de populatie bevat.



Quizz